Programma 2e fase orgelexamen van Wijnand van Klaveren woensdag 15 juni 2005 Grote Kerk Apeldoorn 1600u
I Henk Badings (1907-1987) : Preludium (1938) II Hans Kox (1930) : Preludium en fuga (1954) III Kees Weggelaar (1947) : Tryptique pour grand orgue, à la mémoire d'un homme héroïque (1968) IV Béla Bartók (1881-1945): Uit “Muziek voor snaren, slagwerk en célesta” (1937): deel 1 fuga, transcriptie voor orgel van WvK V Jan van Gijn (1947) : Enkele psalmen VI Anthon van der Horst (1899-1965): Variazioni sopra la sinfonia della cantata “Christ lag in Todesbanden” di J.S. Bach opus 64 per organo (1953) VII Wijnand van Klaveren (1975): deus creator omnium (gez. 382 LvdK) VIII Rudolf Escher (1912-1980) : Passacaglia (1937, rev. 1946) Kleine toegift: Ode aan Piet van Egmond (1912-1980)
Melodieuze Nederlandse orgelmuziek uit 20e en 21e eeuw
De wereldpremière van het winddruk- ondermijnende, a-melodieuze Volumina (1962) van Györgi Ligeti (1923) deed het betreffende orgel in Bremen vlam vatten. U begrijpt dat ik niet als pyromaan de geschiedenis in wil gaan en met dit stuk de Grote Kerk en haar prachtige Bätz – Witte- van Vulpen orgel in de as wil leggen. De brand die op 29 maart 1890 de Waterstaatskerk op deze plek verwoestte beroofde ons reeds van een Naber orgel (1846). G.H. Broekkuijzen prees het in zijn Orgelbeschrijving als der “1 der fraaiste van bouworden en geluid van allen der dorpskerken in Nederland”. Het Schilling orgel (1780) wat tot 1843 in de kerk stond op de plek waar later ons stadhuis werd gebouwd, verhuisde naar het naburige Beekbergen. Vandaar dat ik een vlammend pleidooi wil houden op ons enige resterende historische instrument voor weliswaar licht ontvlambare, maar brandveilige en melodieuze composities van eigen bodem… Henk Badings (1907-1987) was afgestudeerd ingenieur in Delft en componist van meer dan 1000 werken voor de meest uiteenlopende bezettingen, waaronder 30 werken voor en in combinatie met orgel. Badings noemde de grote B’s, Reger en Hindemith als zijn inspirators. Zeer opvallend in (Nederlandse) muziek gecomponeerd in de jaren van pl. 1920 – 1955 is het gebruik van octotonische ladder, de toonreeks met afwisselend hele en halve secundes. De componist Willem Pijper (1894-1947) maakte zo graag gebruik van octotoniek dat men al gauw sprak van de “Pijperladder”. Niet verwonderlijk dat ook Badings, leerling van Pijper het in zijn Preludium uit 1938 gretig hanteert om een heroïsch C groot bij te kleuren. Hans Kox (1930), leerling van Badings en zoon van een organist en koordirigent uit Arnhem, vierde onlangs zijn 75 e verjaardag en krijgt gelukkig steeds meer de erkenning die hij verdient. Sinds de bewogen jaren ’60 geldt hij als te ouderwets binnen experimenteerlustige kringen. “De weg naar het licht voert terug naar áf. De componisten zullen weer de verschrikkelijke geboorte van de melodie moeten ondergaan om te ontwaken uit het oorverdovende geluid van de kritiek, de journalistiek en de media.” Aldus Kox. Zijn Preludium en Fuga won de vierde prijs in de compositieprijsvraag van het vierde Internationale Orgelconcours Haarlem 1954. Kox gebruikt hier de “Pijperladder” om een gevoelig cis klein gestalte te geven. Aan het einde van de fuga worden de thema’s van preludium en fuga gecombineerd. Mevrouw Helene Kox wist nog te melden dat het werk is geschreven voor (neo-)barok orgel. Dat is met name in de registratie aanwijzing voor de fuga merkbaar (8’,4’,2’, 2 2/3). Het preludium is meer Frans - romantisch van karakter. Ook in het werk van Kees Weggelaar (1947) speelt octotoniek een rol. Zijn “Tryptique pour Grand orgue” ( à la memoire d’ un homme héroïque ) is in juni 1968 voltooid en opgedragen aan Albert de Klerk, ( 1917-1998) Kees Weggelaar’s hoofddocent orgel aan het toenmalige Amsterdamse Conservatorium. Het werk is een driedelige rouwzang, geschreven naar aanleiding van de moord op Dr. Martin Luther King. Nu echter kan de compositie beter worden beschouwd als een muzikaal eerbetoon aan de velen , die het leven lieten ( en nog laten) voor een goede zaak. Als groter jeugdwerk vertoont het nog alle invloeden van o.m. Olivier Messiaen ( 1908-1992) en vooral Jehan Alain ( 1911-1940). De hoekdelen zijn zeer ingetogen, terwijl het middendeel, geschreven in 15/16 maat, naar een grote climax toewerkt, die met een geritmiseerd “kyrie”-citaat abrupt wordt afgebroken. Het beknopte maar beschouwende slotdeel citeert het “in paradisum”, en loopt via donker gekleurde harmoniet uit op het definitieve einde. De Hongaar Béla Bartók (1881-1945) schreef in zijn “Muziek voor snaren, slagwerk en célesta” uit 1937 de meest weergaloze fuga van de 20e eeuw. Het chromatische, mysterieuze fugathema, de omfloerste klank van strijkers met sourdines en het “hemelse” klankbed van de célesta (aan het einde van de fuga toegevoegd) roepen treffend de oorlogsdreiging van 1937 op. Ik heb het stuk voor orgel bewerkt om te kunnen beschikken over een werk waarin na Bach iets wezenlijk nieuws aan de kunst van de fuga is toegevoegd. Wat heeft Bartók gedaan ? Door de thema – inzetten steeds een kwint hoger èn lager vanaf het tooncentrum a te plaatsen schept hij lengte, alsmede door het relatief lange fugathema. Op de gulden snede van het werk arriveert Bartók op de toon es, ook duidelijk herkenbaar als de climax in het stuk. Vanaf dat moment voert Bartók de stijgende en dalende kwintencirkel weer terug naar a met de omkering van het fugathema. Maar die (geweldige) opzet alleen garandeert nog geen goede fuga. Het zijn de samenklanken die Bartók in het lijnenspel laat ontstaan welke van een prachtig“schrijnende” kwaliteit zijn in een dito instrumentatie. Met Bartók kwam ik gelukkig vroeg ik in aanraking. De prachtige pianomuziek die hij speciaal “For Children” schreef werd mij aangereikt door Jan van Gijn (1947), organist van de Grote Kerk in Apeldoorn. Als eerbetoon aan mijn eerste pianoleraar speel ik 3 delen uit het orgelpsalter waaraan hij momenteel werkt. Psalm 2 (“Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch ?”) is een elegische marcia funèbre. In Psalm 11 (“Ik schuil bij God.Hoe kunt gij dan nog zeggen: ‘Neem naar de bergen, vogel, snel de vlucht’”) “schuilt” de cantus firmus tussen de buitenstemmen. Psalm 42 (“Evenals een moede hinde”) is een prachtig voorbeeld van Hollandse koraalkunst in de beste traditie van Regers koraalboek opus 67 (1902). Deze muziek functioneert dan ook uitstekend op het Apeldoornse Bätz – Witte orgel uit 1894. Anthon van der Horst (1899-1965) was een bijzonder veelzijdig protestants musicus. Organist, componist en dirigent en vele jaren hoofdvakleraar orgel, theorie en directie aan het Amsterdams Conservatorium. Zijn Bach – interpretatie was voor zijn tijd opmerkelijk modern en de latere oude muziek beweging dankt veel aan zijn pionierswerk. In november 1953 voltooide hij in opdracht van het Ministerie van O,K&W zijn orgelpartita over het paaslied “Christ lag in Todesbanden”. Voorafgaande aan het werk citeert van der Horst de sinfonia uit de gelijknamige cantate (nr. 4) van Bach. Het eigenlijke thema, versus I, is een commentaar in zijn eigen bewoordingen op de sinfonia. De variaties 2 en 4 variëren in donkere klanken het dialogerende kopmotief van de sinfonia. Variatie 2 verhaalt in bijna ongeloofwaardige klanken hoe “Jesus Christus, Gottes Sohn an unser Statt ist kommen”. Daarvoor was wel een lange afdaling nodig, waarin de smartelijke phrygische secunde sterker blijkt te zijn dan de modus conjunctus. (De manier waarop van der Horst de octotonische ladder op originele wijze tonale functies gaf.) De variaties 4 en 6 bezingen in een niet aflatende slinger van kwintolen, over drie manualen verdeeld, het hemelse bruiloftsmaal dat aangericht wordt. In de laatste variatie verschijnt de eigenlijke melodie tenslotte op etherische hoogte (aanvankelijk een 2’register op het pedaal), ‘ongeschonden’: een verinnerlijkt feest na de ouverture-achtige uitbundige 5e variatie. In een filmmuziekachtig idioom heb ik de hymne “deus creator omnium” van Ambrosius (ca. 340-397) verpakt. Het leek me leuk om een lied te bewerken uit de tijd dat Apeldoorn nog een heidens schimmig oord was. Het lied is als gezang 382 in het liedboek van de kerken te vinden en beschrijft het goddelijk licht dat ook ’s nachts nog straalt. Rudolf Escher (1912-1980) schreef in maart 1936 in zijn ouders: “Reeds thans kan ik niet laten om naast de compositie voor het ballet gelijktijdig te werken aan een geheel lineair gedachte orgelsonate.” In 1937 kwam het werk gereed, bestaande uit een preludium, fuga, canone a 2 voci en passacaglia a 4 voci. De eerste uitvoering op 15 september 1938 gespeeld door J.H.Besselaar jr. op het destijds grootste orgel van Nederland (met drie 32’registers in het pedaal !) van de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam. Besselaar gaf de muziekstudent Escher soms harmonie en contrapunt aan dit orgel. Helaas gingen bij het bombardement van Rotterdam dit orgel en enkele jeugdwerken van Escher verloren. De immer zelfkritische Escher trok vóór 1948 de eerste drie delen van de gelukkig gespaarde orgelsonate terug. Hopelijk wordt het kladmanuscript hiervan nog eens toegankelijk dat, naar mag worden aangenomen, in Oestgeest wordt bewaard. Dat Escher deze delen wel waardeerde blijkt uit een brief aan het Prins Bernard Fonds, 12 maart 1952 Oestgeest: “Te herzien: Een suite voor orgel (waarin opgenomen de reeds herziene passacaglia voor orgel opus 2).” Het lange, chromatische basthema, bestaande uit stijgende en dalende kwarten, klinkt 15 keer. Opvallend is de 4/4 maat, afwijkend van de gebruikelijke 3-delige maatsoort die in passacaglia en chaconne gebruikt wordt. De ritmische opbouw is de gebruikelijke, van lange naar steeds kortere notenwaarden. Door stemverwisseling binnen de variaties 1 t/m 4, 5 t/m 7, 8 t/m 10, 11/12, 13/14 schept Escher éénheid binnen de variatiegroepen. Door dit raamwerk, in z’n originaliteit vergelijkbaar met de Bartók – fuga, steunt Escher zichzelf stevig om z’n hymnische melodielijnen een chromatische, modale (vaak weer octotonische) en dan weer tonaal-functionele wending te geven. De 15e variatie is de meeste vrije waarin de 4-stemmigheid tot 8’stemmen uitgroeit, gebruik makend van het complete orgelplenum. In een interview van Elmer Schönberger met Escher zegt hij nog over het stuk: “Het passacaglia thema gebruikt alle 12 noten van het chromatische totaal, met natuurlijk enkele toonsherhalingen. Dat is op zich niet zo interessant, - waar het om gaat is het intervalkarakter. “ En verder: “Het is niet m’n enige passacaglia – het is een vorm die telkens weer de kop op steekt in mijn muziek: in het laatste deel van Nostalgies, en, bijvoorbeeld, in de 2e symfonie.” Het is onmogelijk het orgel van de Grote Kerk in Apeldoorn te bespelen zonder aan de legendarische Piet van Egmond (1912-1980) te denken. Hij was verantwoordelijk voor de uitbreiding van het orgel met een derde klavier en hij speelde hier in de ochtenddiensten van 197. – tot 197. Zijn improvisaties waren een zinnelijke mengeling van Wagner, Rimski-Korsakow en Johannes de Heer. Vaste prik waren de verdwaalde pelgrims (pedaalstaccati), die blazend op hun heilstrompetjes met elkaar communiceerden over grote afstanden. (tongwerken hoofd- en zwelwerk). Natuurlijk kwamen ze in een ruwe storm terecht (schoksgewijs toevoegen van registers) Maar als de nood het hoogst was, klonken de befaamde koninkrijksklokjes van Piet. (Wellicht voix céleste, fluit 4, flageolet 2, terts én tremulant ?). De pelgrims zagen een poort wijd open staan en belden aan. Gered en Veilig in Jezus’armen ging het avontuur ten einde. Mocht u in bovenstaande componisten en het Apeldoornse orgel zijn geïnteresseerd: Muziekuitgeverij Donemus (Funenpark 1 Amsterdam, www.donemus.nl), uitgever van hedendaagse Nederlandse muziek, beschikt over vele partituren, krantenknipsels en boeken over Badings, Kox (zie ook www.hanskox.nl) en vele anderen. Kees Weggelaar is te bereiken via zijn emailadres en onder 020 6165991. Lezenswaardig zijn bovendien: Gert Oost: Anthon van der Horst 1899-1965, Canaletto 1992. Al vele jaren verkrijgbaar bij de Slegte, dus binnenkort hopelijk ook in Apeldoorn. Op www.janvangijn.nl is veel te vinden Met medewerking van Beatrijs Escher verscheen een compleet oeuvre – overzicht van Escher in boekvorm Gerco Schaap: Piet van Egmond Een leven voor muziek, Stichting PvE Documentatiecentrum, Baarn Huub Ummels: